Onze achternaam Wielinga verklaard
Waarom een familienaam?
Wielinga, als achternaam komt relatief gezien niet zo veel voor. De geografische spreiding van de familienaam in 1993 geeft aan dat er op dat moment 319 abonnees waren met de achternaam Wielinga (afb. 1). Er van uitgaande dat per abonnee gemiddeld drie gezinsleden aanwezig waren en dat 25 Wielinga gezinnen geen telefoonaansluiting, dan wel een geheim nummer hadden, was het aantal Wielinga’s in 1993 dus 1032. In België kwam de naam 1 keer voor. Blijkens de volkstelling van 1947waren er slechts 737 mensen die de naam Wielinga droegen.
In 1954 deed W.Tsj. Vleer (een bekende genealoog) onderzoek naar de familienaam Wielinga. Hij ontdekte in Friesland de oorsprong van minstens een 15-tal “stammen”, die ooit de familienaam Wielinga aannamen en of droegen.
| Groningen90 Friesland307 Drenthe5 Overijssel26 Gelderland27 Utrecht36 Amsterdam80 Noord-Holland69 Noord-Holland totaal149 Den Haag14 Rotterdam18 Zuid-Holland46 Zuid-Holland totaal78 Zeeland7 Noord-Brabant8 Limburg4 totaal737 |
Overzicht van aantal naamdragers bij de volkstelling van 1947 |

Napoleonwas degene die in 1811 alle Nederlanders verplichte om een achternaam te laten registreren. Reden hiervoor was de verplichte dienstplicht en het innen van belastingen. Met name de gegoede stand had voor 1811 al een achternaam. Het gros van de Nederlandse bevolking was echter nog niet in het bezit van een achternaam. Het “verzinnen” van een achternaam was niet voor iedereen even makkelijk. Vaak werd ook gedacht dat na de bezetting door Napoleon, de achternaam wel weer zou verdwijnen. Hierin ligt ook het ontstaan van soms vreemde achternamen als Poepjes, Naaktgeboren etc. Met name in Friesland werd voor 1811 gebruik gemaakt van een patroniem. Een patroniem is een tweede naam, die verwijst naar de voornaam van de vader, bijvoorbeeld Douwe Bokkes is Douwe, zoon van Bokke. Hieruit ontstond in 1811 dan ook vaak de achternaam, zoals Hendriks (zoon van Hendrik) of Willemszoon. Voor velen was het beroep de aanleiding tot het kiezen van een achternaam zoals, De Boer, Bakker etc. Daarnaast is het ook nog mogelijk dat men een keuze maakte op grond van geografische achtergronden, zoals Van Slochteren, Van Duin etc.
Wie was de eerste naamdrager?
Blijkens de registers van Tresoar, (Fries Historisch en Letterkundig Centrum) is de naam Wielinga in Sneek aangegeven door:
1.Wielinga, Jan Bokkes, Sneek
k. geen
Mairie Sneek, fol. 12
2.Wielinga, Ulbe Jans, Sneek
Mairie Sneek, fol. 115
3.Wielinga, Hendrik, Sneek
k. Jan ½, Trijntje 5, Sjoukje 3
Mairie Sneek, fol. 117
De enige vast te stellen relatie tot onze stam Wielinga is nummer 1. Jan Bokkes Wielinga. Van de overige voorouders kan, tot op heden, geen registratie van de naam worden gevonden. Dit zou kunnen betekenen dat de familienaam Wielinga door onze stam reeds voor 1811 werd gebruikt. Met genoemde Jan Bokkes is overigens iets vreemds aan de hand, omdat hij vermoedelijk ook staat ingeschreven als Camstra. (Daarover mogelijk later meer).
In het ondertrouwregister van de gemeente Sneek staat vermeld:
DTB nr: 641, 1779 - 1795
Vermelding: Ondertrouw van 21 april 1781
Man: Foeke Douwis Wielinga, Sneek
Vrouw: Beitske Romkis Takelaar, Sneek
Voor zover kan worden nagegaan is dit de eerste vermelding van de achternaam Wielinga van onze stam. De naam werd dus al dertig jaar voor de invoering van de Burgerlijke stand, gebruikt. Vooralsnog kan niet worden vastgesteld waarom de naam toen is ontstaan.
Wat betekent de naam?

Het Meertens instituut uit Amsterdam is als onderzoek- en documentatiebureau onderdeel van de Koninklijk Nederlands Akademie van Wetenschappen (KNAW), de autoriteit o.a. op het gebied van (achter)namen. Dit instituut geeft de navolgende uitleg.
a. metonymische beroepsnaam
Familienamen afgeleid van soortnamen van het type Brood voor een bakker, Wiekstra voor een molenaar, Hamer voor een timmerman.
• Wat hebben de namen Brood, Koek, Pot en Steen gemeen?
Het zijn namen die verwijzen naar de producten die door de eerste naamdragers werden gebakken. Dit waren immers broodbakkers, koekbakkers, pottenbakkers en steenbakkers. Andere voorbeelden van dit soort product-namen zijn Appel (appelverkoper), Klomp (klompenmaker), Mostert (mosterdmaker), Olij (olieslager), Peper (peperstoter d.w.z. iemand die peper fijnstampt en verhandelt), Schuit (schuitenmaker), Veen (veenbaas van een turfafgraverij) en Vis (visser).
Ook het zelfstandig naamwoord van het materiaal, een attribuut of een stuk gereedschap dat een beroep kenmerkte werd voor de naamgeving gebruikt. Bijvoorbeeld Bierwagen (bierbrouwer), Hardijzer (Segewin Hartyser, begin zestiende eeuw geschutgieter van Karel van Gelre te Zutphen), Trommel (trommelslager), Balk (eertijds Balckholt, een timmermansfamilie), Spaak en Speek (wagenmakers), Drijfhout en Drijfholt (kuipersgereedschap dat dient tot het aandrijven van hoepels of banden). Hendrik Jans nam te Grouw in 1811 de naam Ruitenschild aan, waarmee hij zijn beide ambachten, glazenmaker en schilder, tot uitdrukking bracht. Een Friese familie gebruikte aanvankelijk de namen Camminga en Vellinga naast elkaar, omdat zij het wolkammersvak uitoefende en in de vellenbloterij werkte. Heel oud is de naam Knijf ('dolk'): Ansfridus Knijf, Utrecht 1108.
[L. Brouwer, 'Wat hebben de namen Brood, Koek, Pot en Steen gemeen?' in: OT kalender 8-5-1999].
In ons geval zou de naam Wielinga dan zijn afgeleid van het beroep Wieldraaier. Hierbij is het nog onduidelijk wat nu eigenlijk het beroep van Wieldraaier inhield. Zo zijn er bronnen die spreken van:
-Een persoon die een machine middels een handwiel in beweging zet en houdt.
Andere bronnen spreken van:
-Een houtbewerker die wielen maakt.
b. adresnaam
Zeer veel familienamen zijn van toponiemen (aardrijkskundige namen) afgeleid. Deze namen geven aan waar men vandaan kwam (herkomstnamen), welk gebied of landgoed men bezat of beheerde, of welke huizen men al dan niet met bijhorend land in eigendom of pacht had.
Bij deze laatste groep duiden de namen tevens aan waar men woonde. (Straatnummers waren immers nog niet ingevoerd!) Dit type naam wordt dan ook wel met de term 'adresnaam' van de herkomstnamen onderscheiden. Herkomstnamen gaan voornamelijk terug op namen van steden, dorpen en landen; adresnamen op microtoponiemen: namen van huizen, velden, waterlopen, straten.
Voorbeelden van adresnamen:
- Van der Heide, Hordijk, Van der Meulen, Nijdam, Verdonk, Van der Werf
- Boerderijnamen in het (noord)oosten van het land eindigend op -ing of -ink: Aalderink, Bruggink, Joling, Lanting, Lieftink, Oonk.
- Andere boerderijnamen als Nijhof, Bronsvoort, Nooitgedagt
- Huizen en herbergen: Bontekoe, Fortuin, Hardebol, Hoppezak, Nagtglas, Spiegel, Van der Wereld.
Tot deze subgroep behoren ook de namen die aan scheepsnamen zijn ontleend.
Zonder (genealogische) achtergrondinformatie kan men familienamen niet zomaar volgens de simpele verdeling van toponiemen hierboven indelen. Men zou bijvoorbeeld kunnen veronderstellen dat de familienaam Hinlopen op de Friese plaatsnaam Hindelopen teruggaat. Het blijkt echter geen herkomstnaam te zijn. Deze naam is immers ontleend aan een huis 'daer Hindelopen uythangt', dus een huis genaamd Hin(de)lopen met de plaatsnaam afgebeeld op een uithangbord.
• Verwant met de herkomstnamen zijn de woonplaatsnamen of adresnamen. Maar in deze categorie wordt niet de voormalige, maar de actuele woonplaats van de naamdrager genoemd, zijn domicilie als het ware. Net zoals de herkomstnamen bevatten ze een topografische aanduiding, die verwijst naar een vast punt in het ruimtelijke referentiekader van een kleinschalige gemeenschap. Dat kan bijvoorbeeld de woning zijn van de naamdrager (zijn huis, kasteel, hoeve, herberg), de landschappelijke sector waarop of waarbij hij woont (een bos, een heideveld, een moeras, een cultuurlandcomplex), of een ander verschijnsel dat dienst doet als ruimtelijk richtpunt (waterlopen, waterovergangen, grenspalen, veldkruisen, stadspoorten, alleenstaande bomen, galgen, uitkijkposten, enzovoort). Zowel herkomstnamen als woonplaatsnamen bevatten dus een aardrijkskundige benaming. Bij de eerste categorie gaat het om namen die al tot vaste plaatsnaam of toponiem waren versteend op het ogenblik dat er bijnamen mee werden gevormd. Het topografische woord aan de oorsprong van woonplaatsnamen kan evengoed al toponymische status hebben gehad, maar de beschrijving van iemands adres kon ook gebeuren aan de hand van uitdrukkingen met de soortnaam voor het werkelijkheidsgegeven waar de persoon gelokaliseerd werd. Zo kan de stamvader van een familie Van der Heijden(n), Van den Heede of Van Hee inderdaad aan of op een heideveld hebben gewoond, maar ook in een gehucht waar alle heide al eerder in cultuurland was omgezet, en dat naar zijn voormalige status de eigennaam Heide of ter Heide(n) droeg. Het enige waar we met zekerheid van uit mogen gaan, is dat de bakermat van de familie gezocht moet worden op een plek die ooit een heide was. (...)
De classificatie van terreinwoorden binnen een bepaalde rubriek [natuurland, cultuurland, bos] is meermaals voor discussie vatbaar. Immers, zoals alle soortnamen staan ook landschappelijke benamingen bloot aan betekenisevoluties, en een woord kan vanuit verschillende betekenisstadia tot plaatsnaam zijn geworden, en vervolgens tot bestanddeel van woonplaatsnamen. Zo heeft de oorspronkelijke natuurlandbenaming veld in tal van dialecten al vroeg de betekenis 'bouwland(complex)' aangenomen, en ging de verkleinvorm veldeke plaatselijk (in Zuid-Oost-Vlaanderen) zelfs een heel specifiek perceelstype aanduiden, nl. een omsloten bouwlandperceel in privé-exploitatie, bestemd voor de teelt van gewassen die niet onderworpen waren aan de verplichte driejaarlijkse wisselbouw die gold voor de productie van broodgraan. Elders in Vlaanderen heette zo'n perceel bilk, in Brabant blok. Bovendien, als een terreinnaam vanuit de een of andere betekenis tot vaste plaatsnaam is geworden, blijft die in de regel met die plaats verbonden, ook al verandert het benoemde terrein van uitzicht en bestemming. Dat principe van naamsbehoud bij veranderende werkelijkheid verklaart waarom in gebieden waar veld als soortnaam nooit een 'bouwland'-betekenis heeft aangenomen, toch vele cultuurlandcomplexen een 'veld'-naam dragen. We hebben dus vaak geen zekerheid over de aard en het uitzicht van het terrein op het ogenblik dat de naam ervan aanleiding gaf tot bijnamen en familienamen. De stamvader van een familie Van de Velde kan dus zowel in een woeste omgeving hebben gewoond, als bij een uit 'veld' ontgonnen cultuurcomplex, dat toponymisch als veld werd aangeduid. Het is dus beslist onjuist om in elke 'topografische' familienaam de etymologische betekenis van het achterliggende terreinwoord te projecteren.
Familienamen uit hetzelfde topografische grondwoord vertonen heel wat klank-, vorm- en spellingvariatie. Vele ervan zijn immers gefixeerd in hun dialectische gedaante, met regionaal bepaalde klankvarianten als heide/hee, broek/breuk, moes/moos, enz. Morfologisch verschillen namen in hun samenstelling (ze bevatten al of niet een voorzetsel en/of lidwoord), afleiding (verschillende suffixen) of flexie. De morfologische hoofdtypes zijn (zie voor een uitvoerige behandeling 'Van Loon-1980'):
- onverbogen hoofdwoord zonder voorzetselaanloop: Bos
- hoofdwoord met genitiefuitgang: Broeks
- voorzetsel + (al dan niet verbogen) lidwoord + (al of niet verbogen) hoofdwoord: Van de(n) Bos(se)
- voorzetsel alleen: meestal 'van' (= samentrekking van 'van den'): Van Bos, soms een ander voorzetsel, b.v. Ten Bos(se).
- ver- (samentrekking van 'van der') + hoofdwoord: Verkouter
- hoofdwoord + element -man(s): Bosman(s)
- hoofdwoord + suffix -ma: Miedema
[Devos-2001, p 18, 22-23].
• [Ebeling-1993, p 117].
Met betrekking tot onze achternaam zou dit betekenen dat de topografische afkomst te maken had met WIEL (uitgaande dat inga als toevoeging is gebruikt, zie later).
Een kolk (ook: wiel, waai en weel) is de aanduiding voor een bepaald type oppervlaktewater.
Langs rivier- en zeedijken zijn kolken de overblijfsels van dijkdoorbraken. Door het rondkolkende water zijn diepe gaten ontstaan, nu vaak kleine, diepe poelen. Bij het doorbreken was de kracht van het water vaak zo groot, dat de dijk niet meer te dichten was. Om de kolk werd dan een nieuw stuk dijk gebouwd.
Bron: Wikipedia
Onbekend is echter of de term Wiel, voor een kolk, in Friesland (in die tijd) gangbaar was.
c. Patroniemnaam
Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de naam een relatie heeft tot een patroniem. De voornaam Wiel komt, voor zover nu bekend, niet voor in de geschiedenis van de familie Wielinga.
Niet ondenkbaar is dat de naamsoorsprong van de verschillende stammen Wielinga ook een verschillende achtergrond hebben, zodat de één voor de naam gekozen heeft vanwege zijn beroep en de ander vanwege een wiel of kolk. In Friesland (Sneek) is voor beide mogelijkheden iets te zeggen. Duidelijkheid hierover is waarschijnlijk niet meer te krijgen. Ook de reden waarom zo’n dertig jaar voor de komst van de Burgerlijke stand, in onze stam de achternaam plotseling werd gebruikt, is onduidelijk en kan waarschijnlijk niet worden achterhaald.
d. toevoeging inga
Dit is de Fries-Groningse pendant van de Oostnederlandse -ing-vorm met een -a-flexie (vgl. -a en -ing). De naam Eelco Heringa kan als volgt worden uitgelegd: Eelco, een van de personen (zonen) van de clan (familie) van Hero. Nadat -a-verbuiging grammaticaal in het Fries niet meer werd toegepast, bleef men de uitgang -inga bij de vorming van achternamen gebruiken. Deze werden nu echter niet meer alleen van voornamen afgeleid, maar ook van toponiemen (Muntinga < Muntendam of Termunten) en beroepsaanduidingen (Smedinga < smid). Evenals bij andere -a-naam types werden vanaf de middeleeuwen -(i)nga-namen op het huis en land van de betreffende families overgedragen. Het was niet ongebruikelijk dat nieuwe bewoners vervolgens ook de naam overnamen, zodat de betekenis ervan eigenlijk veranderde: Heringa = 'wonend op het Heringa-goed'. Dit werd soms benadrukt door toevoeging van het voorzetsel van (Van Goinga, Van Idsinga).
In 1947 bestonden er nog ongeveer 700 verschillende -nga-namen, waarvan 435 -inga-namen, 265 -enga-namen en een paar andere vormen (Banga, Donga). Deze namen werden door 53.400 personen gedragen, dat is 0,56% van de Nederlandse bevolking. In Friesland door iets meer dan 16.000 en in Groningen door iets minder dan 16.000 personen, wat in beide provincies overigens goed is voor 3,56%. De verhouding tussen het totale aantal -inga- en -enga-naamdragers in Nederland was 40.800 : 12.100. In Friesland kwam de uitgang -enga meer voor dan in Groningen (4.100 : 3.750) en de uitgang -inga iets minder (11.800 : 12.050).
Enkele verkorte en afgezwakte vormen zijn namen op -iga/-ega (Gosliga, Sonnega) en -ia/-ja/-je (Runia, Wijnja, Makkinje).
• Ebeling-1993, p 99. / "Een tweede subtype onder de zogenaamde Friese -a-namen vormen de fn. op -inga. Ook het prototype hiervan heeft een antroponymische basis, gevormd als deze namen oorspronkelijk zijn uit (a) een roepnaam, (b) het bekende, in diverse Germaanse talen productieve achtervoegsel -ing/-ung ter aanduiding van het behoren bij een persoon of groep van personen, en (c) de uitgang -a van de tweede naamval meervoud. [...] Het -inga-type is in de loop van de tijd zeer productief geweest en omvat derhalve ook vele analogievormen op niet-antroponymische basis... Een spellingsvariant van de indifferente -i-klank in -ing is -eng. Als resultaat van een verkorte uitspraak van -inga/-enga onder bepaalde condities zijn er verder nog enkele varianten op -nga, -iga, -ega, -ia, -ja, -je." \ p 144. / Ook binnen de groep van de beroepsnamen is -inga produktief. "Het basiswoord in dergelijke formaties omschrijft in verreweg de meeste gevallen geen beroep maar een karakteristiek voorwerp uit een bedrijf of beroep. Dit metonymisch taalgebruik kan trouwens niet los worden gezien van een bepaald verschijnsel in de woordvorming." Nl. eensyllabig basiswoord, vooral bij -stra en -inga afleidingen. "Deze eensylabige woorden zijn kennelijk gemakkelijker onder de met beroepen samenhangende voorwerpen te vinden dan bij de beroepaanduidingen zelf. Welke invloed de woordvorming in dit kader inderdaad op de woordkeuze heeft, is uiteindelijk echter moeilijk te traceren. De uit één lettergreep bestaande basis speelt namelijk ook bij de beroepsnamen op -ma de voornaamste rol, terwijl algemeen gesproken tweesyllabige bases bij de woordvorming van dit type geenszins als hinderlijk worden ervaren."
Nu is alles duidelijk!
De naam Wielinga kan volgens het Meertens instituut worden vergeleken met de namen:
Wielens;
Van de/der Wielen
Wielenga
Wieling
Wielsma
Wielink
Etc.
Meer duidelijkheid over het hoe en waarom van onze achternaam lijkt niet voorhanden. Wel kun je er, gezien de achtergrond van onze stam Wielinga, van uit gaan dat de achternaam zijn oorsprong niet vindt in bijvoorbeeld een boerderij “Wielinga State” of iets dergelijks. De naam Wielinga komt echter wel voor in de geschiedenis van Friesland vanaf zo ongeveer 1600. Epeus Wielinga was raadsheer aan het hof van Friesland. Een andere telg Epeus Wielinga, geboren te Leeuwarden op 15 maart 1678, was tussen 1719 en 1732 Burgemeester van Leeuwarden.

