Een wereldreis van Amsterdam naar Haarlem
Uit: Nieuwsbrief 7e jaargang, nummer 2
Een wereldreis van Amsterdam naar Haarlem
Ik was zo'n jaar of acht oud, dus het zal vermoedelijk in 1962 zijn geweest. Dat was een dinsdag. Toen ik 's-morgens wakker werd, was ik mij er van bewust dat ik naar school moest. Toch was er iets vreemds aan de hand. Er hing iets in de lucht. Mijn moeder kwam me zoals elke morgen wekken. Maar ook bij haar had ik het idee dat zij anders was dan anders. Toen ik op was en de kamer in liep, was mijn vader er nog! Onmogelijk, die zag ik 's-morgens nooit. Hij was altijd al om 06.00 uur de deur uit om naar zijn werk te gaan. Hij zag er ook niet ziek uit.
Bij het ontbijt kwam het hoge woord er uit. We gingen naar familie in Haarlem. daar woonden mijn tante Annie en ome Joop, in de Obistraat. Voorwaar een werkelijke wereldreis. Wij hadden geen auto en de keren dat ik per trein Amsterdam verliet waren jaarlijks op één hand te tellen. Dan ook nog eens "spijbelen", maakte het feest helemaal compleet. Ik weet eigenlijk niet of er toestemming was gevraagd om mij die dag van school te houden. Mijn ouders kennende, was dat wel het geval.
|
Na het ontbijt vertrokken we naar de tramhalte op de hoek van de Kinkerstraat en de Jan Pieter Heijestraat. Met een beetke geluk gingen we met lijn 27 en niet met de 17. Lijn 27 sprak mij veel meer aan, dat was nog zo'n ouderwetse blauwe tram met een voor- en achterbalkon. Als we konden vetrekken trok de conducteur aan een koord, waarna er een bel klonk. De bestuurder, die op het voorbalkon stond, wist dan dat hij kon vertrekken. De tram leek op het bijgaande plaatje. In de zomerperiode waren de balkons echter altijd open. Als je te laat was kon je dan ook gewoon in de rijdende tram springen. Dat was natuurlijk niet toegestaan. later werden er wel hekjes voor de balkons geplaatst |
|
|
Bron: |
Aangekomen op het Centraal station, wat voor een kind van acht uit die tijd best een belevenis was, zochten we naar het juiste perron voor de trein naar Haarlem/Zandvoort. Aangekomen op station Haarlem, moet er worden gelopen naar de Obistraat. In mijn herinnering best een lange wandeling, onder andere door de Cronjéstraat. Alleen die naam al vond ik erg deftig. Ik ging dan ook naar mijn deftige oom en tante. Althans zo zag ik dat. Wij woonden immers op drie hoog en zij in een huis met een tuin. dat was natuurlijk nog niet alles! Als je binnen kwam, stond je in de vestibule, waar ook de trap naar boven was. En ook die verdieping hoorde bij hun huis. In de vestibule hing een soort gewei, met daaraan drie kleine koeienbellen. Een teken van hun verre reizen naar onder andere Oostenrijk. Al met al voor mij een onwerkelijke wereld. Mijn verste reis was op dat moment Limburg geweest. |
| We kwamen daar vermoedelijk om de 60 jarige verjaardag van tante Annie te vieren. Een verjaardag was altijd al een vreemde dag. Niet alleen zag je dan familie, die je normaal nooit zag, maar er werden ook bijzondere dingen gedaan. Zo zag ik op een verjaardag mijn moeder wel eens roken. Ze nam normaal nooit een sigaret, maar voor de gezelligheid, werd er op een verjaardag gerookt! Ook nam zij dan wel eens een citroentje met suiker. Ook zo'n uitzondering. Mijn moeder dronk nooit! Met eenbeetje mazzel was de broer van mijn vader (oom Gerlof) er ook. Ik kreeg dan steevast van beide ooms wat (zak)geld toegestopt. En als de één een rijksdaalder gaf, kon de ander niet achter blijven. Vijf gulden was erg veel in die tijd. |
Bron: |
|
Wat voor mij wel het feestje van de dag was, was het vertrek. We werden dan door ome Joop met de auto, weer naar het station gebracht. Een auto! Een droom voor een kind in die tijd. In onze hele straat waren twee auto's. Later zou de straat te klein blijken om alle auto's te kunnen parkeren. |
![]() |
|
In ieder geval bracht ome Joop ons die avond naar het station. In mijn herinnering was het die avond, maar wellicht haal ik twee visites aan Haarlem door elkaar. Dat doet echter niets aan het verhaal af. Mijn moeder en ik zaten achterin. Mijn vader zat naast ome Joop. Het was vochtig weer en de voorruit van de Opel begon aardig te beslaan door de vier inzittenden. Airco of zelfs een fatsoenlijke voorruit verwarming was nog niet aanwezig. Mijn vader vroeg daarop aan ome Joop of hij misschien het voorruit met zijn zakdoek schoon moest maken. Ome Joop antwoordde: |
|





